Geschiedenis

Geschiedenis

Adeldom

Het begrip adeldom wordt hier gebruikt in zijn oorspronkelijke betekenis van 'het behoren tot de stand der edelen' en grijpt daarmee terug op de Middeleeuwen. De landsheer of vorst omringde zich met een groep krijgslieden en raadgevers, die op den duur de ridderschappen vormden. Dit geeft al aan, dat adeldom nauw verbonden was met een regerend vorstenhuis en een erfelijke status heeft.

Republiek

In de periode (1581) 1648-1795, toen Nederland een republiek (Republiek der Verenigde Nederlanden) was, bleef de inheemse adel bestaan en hield staatsrechtelijke betekenis. Vertegenwoordigers van de ridderschappen bleven zitting houden in de gewestelijke besturen. In 1795 werden, onder invloed van de denkbeelden van de Franse Revolutie, de standen en daarmee de adel afgeschaft.

Koninkrijk

Bij de vestiging van het Koninkrijk der Nederlanden in 1813/1815 werden de rechten weer hersteld en verkreeg de adel een officiële status.
Eerst werd in de Grondwet vastgelegd dat adeldom zou worden verleend door de koning en vervolgens werd bij Soeverein Besluit van 13 februari 1815, nr. 60, bepaald op welke manieren dit kon gebeuren. Aanvankelijk ook door benoeming in de (op)nieuw opgerichte ridderschappen, maar na enkele jaren uitsluitend door erkenning, inlijving of verheffing.
De term erkenning heeft betrekking op inheemse adel van vóór 1795, inlijving op oorspronkelijk buitenlandse adel, terwijl met verheffing geheel nieuwe adel wordt gecreëerd.

Staatsrechtelijke rol

De kiescolleges voor de (indirecte) verkiezing van leden van de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal werden onder anderen uit de ridderschappen samengesteld. Koning Willem I stelde, nog als soeverein vorst, in 1814 een Hoge Raad van Adel in, die hem als adviescollege bijstond om de adelstand weer op voldoende sterkte te brengen. De nieuwe leden van de ridderschappen werden nu bijvoorbeeld ook uit de stedelijke regentenfamilies gerekruteerd.

Hoge Raad van Adel

Volgens de instructie moest een register van de Nederlandse adel worden bijgehouden, waarvan opname als wettig bewijs van adeldom kon gaan dienen. Dit is het zogenaamde filiatieregister, waarvoor de akten van de burgerlijke stand als basis dienen, en dat nog steeds ten kantore van de Hoge Raad van Adel wordt bijgehouden.

Grondwet 1848

Bij de grondwetsherziening van 1848 werd de standenmaatschappij echter afgeschaft en kwam aan de staatsrechtelijke rol van de adel alweer een einde. Het enige wettelijke recht, dat de adel behield, was het mogen voeren van een predikaat of een titel. Ook na die tijd zijn door de vorst personen erkend, verheven, of ingelijfd in de Nederlandse adel.

Wet op de Adeldom (1994)

Het grondwetsartikel werd in de Wet van 1994 vervangen door een aparte Wet op de adeldom, die de bestaande praktijk codificeert. Volgens deze wet kan adeldom nog steeds op de hiervoor vermelde drie manieren verleend worden, maar de mogelijkheden zijn aanzienlijk beperkt. Verheffingen, die sedert 1939 niet meer hadden plaatsgevonden en door de ministerraad in 1953 feitelijk waren afgeschaft, zijn thans beperkt tot leden van het koninklijk huis. Het overheidsbeleid is er thans op gericht persoonlijke verdiensten door middel van koninklijke onderscheidingen te belonen (zie: www.lintjes.nl ).
De laatste verheffing in de adelstand betreft prinses Máxima (K.B. van 25 januari 2002 (Stb. 41)), waarbij haar titels en predikaat worden vastgesteld, alsmede die van haar eventuele kinderen uit haar huwelijk met de Prins van Oranje.

Wat verstaat men onder de adel?

Een deel van de bevolking, waartoe men behoort door geboorte. De Nederlandse adel telt momenteel zo'n 11.000 leden of 0.07% van de bevolking. Er behoren 324 geslachten tot de Nederlandse adel

Wanneer is iemand van adel?

Indien aan hem/haar bij koninklijk besluit adeldom is verleend; of als iemands vader van adel is. Adeldom vererft als historisch instituut uitsluitend langs mannelijke lijn. Ook dochters zijn dus van adel, maar kunnen adeldom zelf niet doorgeven. Wettig bewijsmiddel is de inschrijving in het filiatieregister van de Nederlandse adel, dat wordt bijgehouden ten kantore van de Hoge Raad van Adel.

Herkomst van het begrip adel

Het woord adel -pas sedert de 15de of de 16de eeuw ontstaan- wordt gebruikt als verzamelnaam voor personen met een zeer verschillende herkomst en achtergrond. Zelfs in het relatief kleine deel van West-Europa, dat tegenwoordig het grondgebied van het Koninkrijk uitmaakt, blijken er bijna per provincie aanzienlijke verschillen te zijn, die ten dele verband houden met het feit dat er in de (late) middeleeuwen een landsheer (hertog, graaf of bisschop) de souvereiniteit uitoefende of dat dit niet het geval was.
Waar dit wel het geval was, vormden krijgslieden en raadgevers op den duur een ridderschap: de vrije keuze van de vorst zijn raadslieden uit te kiezen, werd meer en meer omgezet in een recht om als raadsman bij het bestuur betrokken te worden. Buiten de gebieden waar een vorst het bewind voerde was er ook adel. De herkomst kan zeer verschillend zijn: dynasten (onafhankelijke Heersers van kleine gebieden), edelvrijen, ministerialen voorzover zij door het bezit van lenen hun positie wisten te versterken, hoofdelingen, welgeborenen. Wie tot de 'adel' behoorde, was diegene die de vorst als zodanig beschouwde, maar ook diegenen, die door hun standgenoten als zodanig werden erkend.

Laatste nieuws

Agenda

Hebt u een account? Inloggen

Inloggegevens vergeten?